Deze
week kom ik door ons, eens zo prachtige dorp, wat na de 2e wereldoorlog een
enorme doorstart kreeg door de explosie van de papierindustrie met alle
belendende bedrijvigheid die erbij hoort. Zo zijn wij, onze familie, ook in
Eerbeek belandt. Doordat er veel werk te doen was in de papierfabrieken waren
ook andere ondernemers ineens uit de voegen gegroeid en een bedrijf als Gebr.
Kersten werden steeds groter nadat de gebroeders voor de oorlog een zaakje als
rijwielherstelplaats en smeden begonnen werd het na de oorlog in die hoek aan
de Beekpad, spoor en Stuyvenburgstraat een behoorlijke zaak. Een paar, na
elkaar gebouwde ouderwetse fabriekshallen, nodig om de steeds groter wordende
papierwalsen te kunnen slijpen, bezetten het hele terrein. De industrie was
langzaam in het dorp gegroeid en de bebouwing, de revolutiewijken van na de
oorlog ( met name de Eerbeekse Enk), stond om en deels bijna tussen de alsmaar
meer terrein eisende papierfabrieken, gebouwd. Nodig om de uit den lande, en
later uit den buitenlande, geïmporteerde arbeiders te kunnen huisvesten. Gek
genoeg is het deze import die later verantwoordelijk lijkt voor het imploderen,
het leeglopen van Eerbeek. Die industrie, die het dorp in lijkt te
groeien, is nu opeens een probleem maar eerder was dat anders. Waren we blij
dat we een andere mooie woning betrokken en telde die aanwezigheid van de
industrie veel minder. Zo keken wij, vanuit ons huis aan de Weth
Sanderstraat uit op twintig meter hoge fabriekshallen en een 70 meter hoge
fabrieksschoorsteen. Erg? Nou nee hoor, we wisten niet anders en daar kwam, in
een U-bocht, ons eten vandaan, dat wisten we donders goed. In die tijd, waarin
ik opgroeide, waren er nog veel vooroorlogse woningen in het dorp. Grootse
villa met tuin en waterpartij midden in het dorp, huizen in jaren dertig stijl
die verbouwd waren tot winkel maar hun stijl hadden behouden. Op de
Stuyvenburgstraat idem; huizen die tot winkel waren verbouwd of daarvoor
gebruikt werden en die huisstijl behouden hadden. Een winkelplein in onze
directe omgeving werd het Oranje Nassauplein die nu, gezien het winkelende
publiek, populairder is dan het andere plein.
Stel
u zich eens voor; vijftig jaar ben ik niet in Eerbeek geweest, in een tijdmachine kom ik
terug in "my Home Town" van toen. De plek op aarde waarmee ik het meeste mee heb, had en blijf
houden. Goed, ik ben dus terug en kijk om me heen. Is dit mijn Eerbeek? Het
herkenbare van Eerbeek; de altijd aanwezige stoomwolk vanuit de fabrieken is er
nog. De boom voor de Bernstein is er nog. Ik kijk richting Hall en zie twee
enorme grote parkeerplaatsen aan de zuidkant van de Loenenseweg en mijn
landmark is de spoorlijn. Maar waar is de zaak van Versteeg, waar is Slijkhuis en waar is Nijk
gebleven? Waar is Kersten gebleven en waarom liggen daar nu alleen deze
verlaten parkeerplaatsen? Wat is het nut en de zin van deze plek, deze eens zo
springlevende gemeenschap die, zo lijkt het wel, geïmplodeerd is. Er is bijna
niets meer over van mijn dorp. Het is een onwerkelijk beeld wat ik voor me zie.
Ongewild ga ik mijn herinneringen na van een dorp dat niet meer bestaat; waar
veel van wat me lief was weg is.
Nu Hotel Nijk, later Spoorzicht, bijna verdwenen is in de containers van het sloopbedrijf moet ik denken aan Wim Sonneveld. Waarom begrijp ik dat lied steeds beter; het lied waarmee hij voor eeuwig verbonden is en hier staan een paar strophes in die mij aanspreken;
Nu Hotel Nijk, later Spoorzicht, bijna verdwenen is in de containers van het sloopbedrijf moet ik denken aan Wim Sonneveld. Waarom begrijp ik dat lied steeds beter; het lied waarmee hij voor eeuwig verbonden is en hier staan een paar strophes in die mij aanspreken;
Geen opmerkingen:
Een reactie posten